8e zondag door het jaar C

Auteur: Bernard de Cock
Datum: 27-02-2022
Liturgische tijd: Door het jaar
Liturgische jaar: C
Jaar: 2021-2022

 

Sommigen herinneren zich nog wel de manier waarop wij als kinderen de belangrijkste gebeden en ook de inhoud van het geloof van buiten leerden, op school. Ik heb dat in elk geval nog meegemaakt. Ik kan tot op vandaag bijvoorbeeld de tien geboden zomaar opzeggen, want mijn kinderlijk geheugen werd indertijd getraind door een vast spreekritme en door de rijmwoorden bij elk gebod. Het ritme en de rijmpjes waren, om het met een moeilijk woord te zeggen, het mnemotechnische middel: “Bovenal bemin één God, zweer niet ijdel, vloek noch spot, enz.” Ik herinner me dat ik het grootste plezier had in het opdreunen van het zogenaamde zevende en achtste gebod: “Vlucht het stelen en bedriegen, ook den achterklap en ’t liegen”. Den achterklap, wat een sterk woord. Wij gebruiken het tot op vandaag. ‘Achter iemand zijne rug klappen’, in goed Nederlands: lichtvaardig over iemand kletsen of, erger, kwaadspreken als hij of zij er niet bij is. Kortom, lasterpraat. Die wordt hier in verband gebracht met stelen, bedriegen en liegen. Omdat achterklap bedrieglijk en leugenachtig is, steelt ze de goede naam van iemand. Dan wordt die persoon herleid tot de laster die over hem of haar wordt uitgegoten. Op de een of andere manier worden we allemaal wel eens geconfronteerd met die pijnlijke ervaring. Hetzij als slachtoffer, als we ontdekken dat er over ons geroddeld wordt. Hetzij als degene die geroddeld heeft maar ontmaskerd wordt door het slachtoffer of door anderen. In de beide gevallen wordt achterklap aangevoeld als laag-bij-de-gronds. Ja, woorden kunnen iemand levensgevaarlijk kwetsen.

De lezingen in deze zondagse liturgie kunnen daar in verband mee gebracht worden. In de korte tekst uit de ‘Wijsheid van Jezus Sirach’ hoorden we dat men aan de woorden van iemand zijn gezindheid herkent. Daarom waarschuwt de schrijver: “Prijs geen mens vóórdat hij gesproken heeft, want eerst op grond daarvan kan men een mens beoordelen”. We weten dat de taal het middel bij uitstek van communicatie is, dat ze bijdraagt tot de innerlijke samenhang in een groep, dat onze onderlinge relaties worden opgebouwd door middel van woorden. Hoe verfijnder men zich kan uitdrukken, hoe rijker het contact. Maar dat neemt niet weg dat woorden zeer dubbelzinnig zijn. Ze kunnen oprecht en eerlijk zijn, ook al worden ze aarzelend uitgesproken, maar ze kunnen ook bedrieglijk zijn, ook al worden ze krachtdadig uitgesproken. Woorden kunnen lief zijn, maar ze kunnen ook giftig zijn. Vooral de Psalmen signaleren het gevaar van een giftige tong. “Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder” (Ps 140); “Ze slijpen hun tong als een mes en richten hun giftige woorden als pijlen op onschuldigen” (Ps 64). Maar ook bv. in de brief van Jakobus lezen we: “Er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn” (Jak 3, 8). Bovendien kunnen woorden niet altijd exact of helemaal uitdrukken wat we willen zeggen. Zeker als het over relaties gaat is dát precies het probleem. Het is dus maar een halve waarheid die in de eerste lezing staat. Aan de woorden kan men wel een gezindheid herkennen, maar men is toch ook nooit helemaal zeker. Er is namelijk ook zoiets als mooipraterij. Er moet nog iets meer dan woorden komen.

Dat méér vinden we in het evangelie. Alleen daden van goedheid, de goede vruchten van de goede boom, zijn een bewijs dat iemand een goed mens is, dat hij of zij een goede gezindheid heeft. Of zoals Jezus het letterlijk zegt: een goed mens brengt het goede tevoorschijn uit de schat van goedheid in zijn hart. Jezus brengt dat in verband met het oordelen van elkaar. “Haal eerst de balk uit uw eigen oog, dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit”. Telkens als ik dit hoor of lees, gaat er een schok door me heen. Omdat het zo juist is, en ik me aangesproken voel. Hier komen we zijdelings terug bij ons aanvankelijke thema, namelijk de achterklap. Hoe komt het toch dat ik zo vlug geneigd ben een oordeel over iemand te vellen, en dat oordeel zelfs achter zijn rug uit te spreken, en niet te zien of te willen zien wie ik zelf maar ben?

Een beetje mensenkennis kan ons hier een stuk op weg zetten. Ik heb, zoals elke mens, mijn tekorten. Ik ben, zoals elke mens, zondig. Ik ben daar niet gelukkig mee. Het geeft mij een onvoldaan gevoel. Dus verzet ik mij tegen dat gevoel. Dat verzet komt hierop neer, dat ik de onvoldaanheid over mijn tekort wegduw, verdring, precies door streng en veeleisend te zijn voor anderen. Oordelen over het kwaad bij een ander, geeft mij twee voordelen: ik zie het negatieve in mezelf niet meer, én ik krijg de – overigens valse – indruk van mezelf dat ik de ‘goeie’ ben die opkomt voor het goede, precies door het kwaad bij de ander te veroordelen. Ik ben dan zogezegd degene die het kwaad te lijf gaat, die het aanpakt, maar ik heb het kwaad wel al eerst volledig in de ander gelegd. Ik word dus twee keer uit de morele wind gezet. En ik word daardoor een zelfvoldaan mens. Jezus had dat mechanisme door: je ziet de splinter in het oog van de broeder, maar niet de balk in jouw eigen oog.

Een warme oproep aan mij, aan u, aan ons allen, zeker in een tijd waar via de sociale media, giftige tongen maar al te graag én anoniem het leven van mensen vernietigen, een warme oproep om vanuit de boodschap van Jezus rustig onszelf te bevragen, het positieve én het negatieve in onszelf te zien, en niet te vluchten in een veroordeling van de ander. Amen.

Preek van de week

Inschrijving

Indien u iedere week een voorstel van preektekst van een dominicaan of een lekendominicaan wilt ontvangen, vragen wij u om uw inschrijving te bevestigen door te klikken op de link. Wij danken u bij voorbaat voor uw interesse in ons initiatief.

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen

Onze preken

  • 1
  • 2