13de Zondag door het jaar

Auteur: Bernard De Cock
Datum: 27-06-2021
Liturgische tijd: Door het jaar
Liturgische jaar: B
Jaar: 2020-2021

“De ambulance ging met schokjes vooruit. Honderd meter, tweehonderd, vijftig, tien, weer honderd. Hij reed achteruit, stopte nog eens, keerde om. Plots besefte Bassam dat ze nog steeds vlak bij de controlepost waren. Pas na twee uur en achttien minuten kreeg de ambulance groen licht om naar West-Jeruzalem te rijden.” Bassam is de papa van zijn tienjarig dochtertje Abir die levensgevaarlijk in het hoofd is geschoten.

De ambulance die hen naar het ziekenhuis moet brengen, geraakt maar niet vooruit… Iets gelijkaardigs gebeurt ook in ons lang evangelieverhaal. Jaïrus, vader van zijn doodzieke dochtertje, en Bassam met zijn neergeschoten kind, moeten dezelfde wanhopige gevoelens gehad hebben, toen ze allebei merkten dat ze – door de drukte – tergend langzaam vorderden en alle hulp te laat zou komen voor hun dochter. Het zal je maar overkomen als ouder.

Marcus maakt zijn verhaal nog een stuk spannender door rustig te vertellen wat er onderweg gebeurt en wat dus nog meer oponthoud veroorzaakt. Er is daar namelijk een vrouw die al twaalf jaar ziek is en met de moed der wanhoop zich in de menigte naar voor dringt en naar Jezus tast. In de hoop dat zij van haar ziekte zou genezen worden. Twee crisisverhalen dus die de evangelist in elkaar heeft geschoven. Niet alleen om de spanning erin te houden, maar ook omdat er duidelijk een verband is tussen dat jonge meisje en die volwassen vrouw. Maar ik wil het hier vooral hebben over de vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt.

Het gaat hier niet om de normale menstruatie bij de vrouw, maar om bloedingen die niet te stelpen zijn. Het is een erge ziekte, niet schoon om zien en zeker niet aangenaam om ruiken. Je bent beschaamd, je raakt geïsoleerd. Wij met onze maskers en strenge lockdowns weten ondertussen al een beetje wat afzondering kan betekenen in tijden van besmetting. Zonder aanraking, knuffel of kus. Maar bij die vrouw is het nog een stuk erger. Haar bloederige ziekte betekende in die tijd totale onreinheid, en dus een volledige sociale en religieuze isolatie. Twaalf jaar had ze die bloedingen. Dat is, medisch gezien, onmogelijk. Twaalf jaar is een symbolisch getal en wil zeggen: haar hele leven lang was ze ziek. Ze had eigenlijk geen bloed meer, ze was dus al dood. Niemand mocht haar nog aanraken en ook zijzelf mocht niet een ander aanraken. Noch de huid, noch de kleren. Stel je dat voor. Dan leef je gewoon niet meer.

De vrouw begaat een wanhoopsdaad. Ze raakt het uiterste puntje van Jezus’ kleren aan, en dan ook nog van achteren. Ongemerkt, want ze mag dat feitelijk niet doen. Ze overtreedt de wet. “Och, mocht ik op die manier maar gezond worden”, denkt ze.  Maar Jezus heeft het wel gemerkt. Hij voelt dat er een genezende kracht van hem is uitgegaan. Hij is hier niet de handelende held. Het is het vertrouwen van de vrouw dat alles in gang zet. Als antwoord op het geloof van de vrouw werkt God doorheen het lichaam van Jezus. Ik vraag u, beste mensen, gebeurt het niet telkens opnieuw dat God nabijkomt in onze tedere aanraking van elkaar. Dat God ons geneest ten leven, via de lichamelijke genegenheid voor elkaar. Van de vrouw krijgt ook Jezus die diepe waarheid te horen, de waarheid over zichzelf en zijn vermogen tot genezing, tot liefde. En hij bevestigt haar geloof, haar vertrouwen. Wat een diepe, goddelijke levenswijsheid. Ik wens die aan ons allen toe.

 Maar ondertussen is veel tijd verloren. De spanning stijgt. Jaïrus wil met Jezus verder, naar huis, naar zijn doodzieke dochter. Maar men komt hem zeggen dat zij ondertussen gestorven is. Jullie hebben de rest van het ontroerende verhaal gehoord. Jezus geeft het kind terug aan haar ouders. Dat verhaal moet erg moeilijk zijn voor ouders die een kind definitief verloren. Ik zou hier eerbiedig het hoofd willen buigen en zwijgend stilstaan bij het onnoemelijk verdriet van die ouders. Toch zegt het evangelie ook aan hen: “Wees niet bang, heb vertrouwen, rouw en sta op”.

Dat dit mogelijk is, las ik in het waargebeurde verhaal over Bassam en Rami (waaruit ik trouwens – bij het begin van mijn preek - het fragment van de ambulance heb geciteerd). Bassam is Palestijn, en heeft alleen gevangenis en vernederingen gekend. Rami is Israëli, de zoon van een overlevende van de Shoah. Beiden hebben in de zinloze strijd tussen Palestijnen en Israëli’s een dochtertje verloren. Abir was tien jaar, Smadar, dertien. Na de schok, de pijn, de herinneringen, de rouw, is er het verlangen om elkaar te leren kennen en levens te redden. De twee mannen zijn geboren om elkaar te haten, maar doen iets wat ongehoord is. Van vijanden worden ze vrienden. Een Palestijn en een Jood. Ze gaan samen overal ter wereld hun verhaal vertellen terwijl ze oproepen tot vrede. Die twee hebben me tot tranens toe bewogen. Amen.

 

 
Preek van de week

Inschrijving

Indien u iedere week een voorstel van preektekst van een dominicaan of een lekendominicaan wilt ontvangen, vragen wij u om uw inschrijving te bevestigen door te klikken op de link. Wij danken u bij voorbaat voor uw interesse in ons initiatief.

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen

Onze preken

  • 1
  • 2

Neem contact met ons op

Heeft u vragen, opmerkingen of suggesties ? Wij doen ons best om u verder te helpen.

Merci d'indiquer à nouveau votre nom
Merci d'indiquer votre email Votre email n'est pas valide
Merci d'écrire un message