Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

29de zondag van het jaar (A)

Ignace d'Hert
Zondag 18 oktober
Knokke

Het is een bekende strikvraag die de farizeeën stellen: of het geoorloofd is belasting te betalen. Jezus pareert meteen: laat me de munt eens zien. Alleen al hiermee staan de farizeeën in hun hemd. Gelovige joden dragen namelijk geen munten bij zich waarop de afbeelding van de Romeinse keizer staat. Het opschrift op die munt is gewoon godslasterlijk: keizer Tiberius, de goddelijke. Voor joden is het een gruwel om een mens goddelijk te noemen en dan nog wel een vijandige onderdrukker. De farizeeën hebben zichzelf in de problemen gewerkt. En ja, belastingen zullen ze betalen. Dit is duidelijk. Minder duidelijk is de tweede uitspraak: geef aan God wat aan God toekomt.

Wat kunnen wij dan wel aan God geven? Hij is toch de schepper van hemel en aarde, hij draagt de wereld in zijn hand, hij leidt de geschiedenis volgens eigen plan. Kunnen wij daar nog iets aan toevoegen? Hooguit kunnen we onze dank uitspreken. Hem eer betonen. Deze gedachte leeft in vele culturen. En het inspireert mensen tot het brengen van offers. Als teken van dankbaarheid. In vroegere landbouwculturen werden de eerste vruchten van de grond aan God geofferd. Bij nomadenstammen die met hun kudden rondtrekken werden de eerst geboren lammeren geofferd om gezondheid en welvaart voor de kudde af te smeken. In heel wat culturen werden zelfs kinderen geofferd. Denk maar aan het verhaal van Abraham die zijn zoon Isaac wil offeren aan God. Het was een daad van piëteit. Op die manier hoopte men gespaard te blijven van onheil, rampspoed, oorlog, epidemie. Archeologische opgravingen bevestigen dat het brengen van kinderoffers ook in Israël eeuwenlang gepratikeerd werden.

Het offeren is een wijd verbreide praktijk in tal van religies. Mensen proberen zich te verzekeren van de bescherming van God. Via offers. Soms is het gewoon een daad van dankbaarheid of piëteit. Soms is het een soort ruilhandel die mensen organiseren met God. Ik beloof dat, als ik gezond en wel van die operatietafel kom, ik voor de rest van mijn leven elke zondag naar de mis zal gaan. Het offeren is uitdrukking van een behoefte. De behoefte aan veiligheid. Mensen hopen op die manier gespaard te blijven van alles wat als bedreigend wordt ervaren: ziekte, schaarste, aardbevingen, overstromingen. Het is nog altijd zo heel dicht bij.

Geef aan God wat van God is. Maar verlangt God dan iets van ons? Dat is allesbehalve duidelijk. De Bijbel geeft daarop geen duidelijk antwoord. Integendeel. We zien in de Bijbel verschillende godsbeelden. In sommige daarvan wil je echt niet geloven. Zoals de oorlogszuchtige krijgsgod die aan het hoofd van de troepen dood en vernieling zaait: het oude testament staat er vol van; of de god van donder en bliksem die mensen in natuurrampen doet omkomen: denk aan de zondvloed; of de god die mensen in armoede en miserie laat creperen zoals Job.

Wie is de God aan wie we ons toevertrouwen? Toch niet de oorlogsgod, en toch niet de god van de zondvloed of van de chaos! Wie is God voor Jezus? Jezus spreekt nooit over God ergens ver weg, hoog boven ons, in een ander universum. Hij spreekt ook nooit over een God die moet gediend worden door offers, door boetedoening of zelfkastijding zoals het vroeger soms werd voorgesteld. Jezus is bezig met mensen. Aan hen heeft hij zijn leven toegewijd. Vooral de mensen die niet gezien of gehoord worden. Zoals de mensen die op 17 oktober ieder jaar opnieuw voor het voetlicht geplaatst worden. Vandaag (gisteren) is het opnieuw zo ver. De dag tegen extreme armoede. In 1992 als zodanig erkend door de Verenigde Naties. De dag waarop armen het woord nemen. Ook op zoveel plaatsen in ons land. Zélf het woord nemen. Hun waardigheid recht doen. Weten dat ze mens zijn. Dat is het gelaat van God dat Jezus gestalte geeft. God ervaren wij als een gebeuren dat zich onder mensen afspeelt. Op die manier heeft Jezus het over God. Dat heeft Joseph Wrezinski, stichter van ATD goed begrepen. “Armoede is geen noodlot. We moeten ons verenigen om armoede uit te roeien”.

Jezus heeft voor zichzelf geen goddelijke attributen opgeëist. Hij is niet neergedaald uit de hemel. Hij is geboren uit joodse ouders. Zijn broers worden met name genoemd in het evangelie: Jakobus en Joses en Judas en Simon. In deze mens en in de keuzes die hij maakt zijn we getuige van een leven dat aan God gegeven is. Aan God geven wat hem toekomt kan enkel door toewijding en inzet voor een beter, rechtvaardiger, vreedzamer leven. Daarom houdt Jezus afstand van keizer Tiberius wiens beeld prijkt op de Romeinse munt met de inscriptie “de goddelijke”. De mens Jezus van Nazareth is het aangezicht van God. Geen keizerlijke gestalte maar een man die uiteindelijk gekruisigd wordt. Hij gaf zich ten einde toe voor het geluk en de waardigheid van ieder mens. Mogen wij in zijn voetspoor treden. Dat is aan God geven wat God toekomt.

 

 

 

 

 

 

 

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be