Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

20de zondag van het jaar (A)

Bernard De Cock
Zondag 16 août

Het verhaal dat we vandaag geserveerd krijgen als evangelie is straffe kost. Het beeld dat wij van Jezus hebben, krijgt hier een stevige klap. Doorgaans wordt Jezus getypeerd als de man zuiver op de graat, een en al aandachtig voor de sukkelaars, ons aller morele voorbeeld. Welnu die onaantastbare lieveling van God wordt hier neergezet als iemand met een grof gedrag en een racistische taal.  Eerst reageert hij gewoon niet, wanneer een vreemde vrouw zijn hulp inroept voor haar zieke dochtertje. Daarna gaat het van kwaad tot erger. Wanneer zijn leerlingen hem aanraden haar weg te sturen omdat ze geambeteerd zijn door haar luid geroep, gaat hij nog een stap verder dan de spreuk ‘eigen volk eerst’ – hij zegt in feite: ‘alléén eigen volk’. Letterlijk staat er dat Jezus zegt: ‘Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden’. En hij raast maar door. Als de vrouw nog eens expliciet om zijn hulp vraagt, antwoordt hij dat zij een vreemdeling is, dus een hond. En wat bestemd is voor het eigen volk, het brood, kan toch zomaar niet aan die honden gegeven worden, zegt hij. Is dat werkelijk Jezus, die hier aan het woord is?

Bovendien zijn we het niet gewoon te lezen dat ‘meneer’ Jezus (mijn Heer Jezus) tegengesproken wordt. De vrouw dient hem van antwoord en laat niet af hem op andere gedachten te brengen, zij roept Jezus tot de orde door op het beeld van de hond verder te gaan. Uit zelfrespect verheft de vreemde vrouw als het ware de hond die de kruimels onder de tafel opeet. Vanuit haar moederinstinct en liefde wil ze Jezus zover krijgen dat hij haar dochtertje geneest.

Tenslotte, en dat is een derde verrassing die het gangbare Jezusbeeld onderuithaalt, is dat Jezus van gedacht verandert. Hem horen we niet zo dikwijls zeggen: mijn reactie was verkeerd, jij hebt me dat doen inzien. Jezus is tenslotte jood, hij behoort tot het uitverkoren volk, en nu geeft hij toe aan een heidense, een vrouw notabene die in die tijd en in die cultuur als tweederangs beschouwd werd, hij geeft toe dat zij hem een lesje heeft geleerd. Hij is als het ware bekeerd door de standvastigheid en het diepe geloof van de moeder, en hij zegt haar de genezing van haar bezeten kind toe.

Er moeten zwaarwegende redenen zijn waarom dit verhaal in het evangelie verteld wordt. Want van een figuur waar men naar opkijkt, filtert men gewoonlijk zoveel mogelijk de negatieve kanten en plaatst men het positieve in de schijnwerker. Foto’s van helden worden altijd geretoucheerd, bijgewerkt totdat men een ideaal beeld overhoudt. Hier heeft de evangelist Matteüs dat niet gedaan. Hij moffelt niets weg. Dat is de eerste reden waarom dit niet zo fraaie verhaal is bewaard. Matteüs wil ons als het ware waarschuwen: maak van Jezus toch geen ‘super hero’ die op eigen kracht alles kon, zo verheven boven ons dat hij nog nauwelijks navolgbaar is. Matteüs wil ons de ware Jezus laten zien, de mens die, zoals wij allemaal, zijn weg moest zoeken. Een kind van zijn tijd en van zijn cultuur. Een diep godsdienstige jood. En het is in die concrete historische figuur dat God mens is geworden, dat God zich aan ons heeft getoond.

Zoals ik zei, Jezus was een vrome jood. In het jodendom had men verschillende houdingen tegenover vreemdelingen. Die waren welkom als ze zich religieus en maatschappelijk aanpasten, zoals we in de eerste lezing hoorden. Vreemden die mijn verbond onderhouden, zegt Jahweh, geef ik vreugde in mijn huis, dat een huis van gebed zal worden genoemd voor àlle volken. Maar evenzeer was er een strekking waarbij vreemden, hoe dan ook, ondergeschikt waren aan het eigen uitverkoren volk. Blijkbaar zit Jezus nog vast in die strekking, maar - zoals het verhaal ons vertelt – hij wordt over de streep getrokken naar de andere kant.

Een tweede reden waarom het verhaal bewaard is gebleven, is zijn spiegelfunctie. Het weerspiegelt de situatie in de eerste kerkgemeenschappen. Ook daar had je het conflict tussen verschillende opvattingen. Dat conflict draaide rond de vraag of ook heidenen, niet-joden, vreemdelingen dus, niet behorend tot het uitverkoren volk, in de gemeenschap van christenen konden opgenomen worden. Moesten ze niet eerst jood worden om christen te kunnen worden? Het was een bitse strijd in het prille begin van de kerk. Maar de openheid naar de vreemdelingen heeft het gehaald. Het belangrijkst, zo zei men, is het geloof dat werkzaam is door de liefde. Dus hoe we leven, wat we doen, hoe we ons gedragen, dat alles als het gevolg van een actief geloof op basis van de liefde, dat bepaalt ons behoren tot het christelijk geloof. Dat is de nieuwe wet die we in vrijheid mogen beleven. En dat geldt voor alle mensen die naar dit beginsel leven. Het verhaal van de Kananeese vrouw is hier een prachtige illustratie van.

Spreken over het jodendom en over het begin van de kerk, is eigenlijk gemakkelijk. Want het is ver van ons bed. Het engageert ons tot niets. Het wordt heel wat anders als wij het verhaal in onze tijd en onze situatie plaatsen. Dan komen allerlei vragen op ons af. Moeilijke vragen.

Aanvaarden wij enkel vreemden in onze omgeving als ze zich aanpassen aan ons? En waar moeten ze zich dan precies aan aanpassen? Kunnen we zomaar zeggen: we verschillen sterk van elkaar, maar dat is niet belangrijk, we zijn toch allemaal mensen? M.a.w. komen we er als we onze verschillen zomaar onder de mat vegen? Hoe gaan we om met verschillen in levensovertuiging?

Laat me eindigen met een hoopgevend verhaal. Een lerares godsdienst in een katholieke beroepsschool vertelde mij onlangs dat ze in haar lessen ook moslimmeisjes heeft. Onlangs vroeg ze aan die meisjes dat ze in de klas iets zouden vertellen over hun beleving van de islam. Ze vertelden enthousiast over de ramadan en over het gezellig samen eten met de hele familie, elke avond, na zonsondergang, en over de gebedsriem met kraaltjes. De meisjes van bij ons – die meestal niet zoveel belang hechten aan godsdienst – vroegen nu heel geïnteresseerd of er in onze godsdienst ook zo iets was, en geduldig legde de leerkracht de gelijkenissen en de verschillen uit. En toen zij sprak over onze palmtakjes, zei een moslim-meisje: o, dat is mooi. Ik zou dat ook graag doen: een palmtakje in water dopen en ons huis en onze tafel en ons bed en elkaar ermee zegenen. Zo zie je maar. We worden alleen maar rijker door open te staan voor elkaar. En wat het meest bindt: onze liefde tot God en tot de naaste. Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be