Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

Witte donderdag

Ignace d'Hert
Donderdag 9 April

Vandaag opent het Paastriduum met het zogeheten “laatste avondmaal”. Voor het laatst is Jezus samen met zijn vrienden. Hij vat zijn leven nog eens samen door een voorbeeld van totale dienstbaarheid. De meester gaat voor zijn leerlingen door de knieën. Hij wast hen de voeten. Het werk van een slaaf. Zijn woorden en gebaren worden nog niet begrepen. Petrus protesteert. Breken en delen van brood en beker brengen een heilige onrust. Voor eenieder die volgeling van Jezus wil zijn wordt het een gevaarlijke herinnering.

Overweging

Vanavond roepen we herinneringen op die geschreven staan in het hart van onze geloofsgemeenschap. We roepen ze bewust voor de geest. De eerste herinnering brengt ons bij het slavenhuis van Egypte. Daar moeten we uit weg trekken. Niet langer onderdrukking dulden noch uitbuiting van kinderen. Veeleer opstaan om je lot in eigen hand te nemen. Ook al moet je daarvoor de woestijn is. Je beseft dat het een lastige tocht wordt. Het wordt tevens één waarin we vertrouwdheid leren met wat ten diepste van een mens gevraagd wordt: dat we er voor zorgen sàmen die woestijn door te komen. Dat we niemand achter laten, niemand aan zijn/haar lot overlaten.

Egypte, woestijn, het beloofde land: het gaat niet zozeer over wat lang geleden ooit gebeurde. Het zijn beelden die onze ogen openen voor wat zich hier en nu aan ons voordoet. Egypte, dat zijn de mensen die uitgesloten worden op grond van afkomst of  huidskleur of geaardheid. Soms is een wat vreemd klinkende naam voldoende om uitgesloten te zijn van werkgelegenheid, woonst, sociale bijstand. Uit dat Egypte moeten we weg. En we moeten de woestijn door: we moeten het leren, een leven lang, oog te hebben voor de échte werkelijkheid. We moeten de ascese opbrengen om te leren zien wat er is en niet meeheulen met de praatjes en de cliché’s, die vaak niet meer zijn dan wilde fantasieën. En het land van belofte? Als het bestaat dan kan dat alleen maar voor onze eigen voordeur gelegen zijn. Wanneer we onze buren leren kennen en waarderen en de vreugde smaken van het samen leven.

Er is een tweede herinnering die we vandaag overwegen. Het gebaar dat Jezus stelt tijdens de laatste maaltijd met zijn vrienden. Hij legt zijn bovenkleed af: bovenkleed was teken van waardigheid. Dat legt hij af. En hij wast de voeten van zijn leerlingen. Het is opmerkelijk dat dit gebaar plaats vindt tijdens en niet voor de maaltijd. Dat was allerminst gebruikelijk. De evangelist Johannes heeft daar ook een speciale bedoeling mee. De betekenis van de maaltijd verschuift naar het achterplan om dit teken centraal te plaatsen. Nu het uur der waarheid aanbreekt laat Jezus zien wat liefde tot het uiterste betekent. Zijn besluit om zijn leerlingen de voeten te wassen moet hen met verstomming hebben geslagen. De voeten van de man wassen was de plicht van de vrouw, terwijl de voeten van de gasten meestal door slaven, zelfs door niet-joodse slaven werden gewassen. Het was de taak van een laaggeplaatste, een dienaar of een slaaf. Hier neemt Jezus een dienstwerk op dat nooit door een joodse man zou worden waargenomen. Het teken laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De belangrijkste onder jullie moet de minste worden en de dienaar van allen. Later aan tafel zal hij het nog eens zeggen: zoals ik jullie heb liefgehad zo moeten jullie elkaar liefhebben.

Er wordt gezegd dat het laatste avondmaal de instelling van de eucharistie betekent. Als dat zo is, dan stelt het gebaar van Jezus haar in een heel eigen perspectief. Hij heeft het over dienstbaarheid die geldt voor allen zonder uitzondering. Hier wordt in geen geval een hiërarchie ingesteld. Geen sprake van zogeheten “sacramentele macht” die zou worden verleend. Alleen van dienstbaarheid die we kunnen bewijzen aan elkaar. We komen allen uit het niets. En alles wat we hebben, hebben we gekregen. Onze talenten, onze mogelijkheden, de genegenheid waardoor we ons gedragen voelen, de waardering die ons laat openbloeien. We hebben het gekregen om te delen. In ons gezin, met onze partner, onze ouders en kinderen, met mensen in de buurt, met noodlijdenden en vluchtelingen. Het is een geschenk dat we kunnen dienstbaar zijn aan anderen, dat we kunnen verantwoordelijkheid opnemen in onze samenleving, dat we onze job gewetensvol kunnen uitoefenen, dat we aandacht kunnen geven aan wie uit de boot dreigen te vallen.

Eucharistie gaat hand in hand met diaconie, met dienstbaarheid. De opdracht die Jezus zijn leerlingen meegeeft: doet dit tot mijn gedachtenis, slaat niet zozeer op een liturgisch gebeuren. Hij heeft het niet over een liturgisch decorum dat op de eerste plaats komt, evenmin over een miraculeuze verandering van brood en wijn die door de woorden van de consecratie getransformeerd zouden worden. Het “doet dit” verwijst naar de gebaren van dienstbaarheid zoals Jezus zelf in zijn optreden heeft duidelijk  gemaakt. Daartoe komen we samen, om te gedenken wat we te doen krijgen, waarover we onze dank willen uitdrukken, onze zorg voor de wereld die we met elkaar delen. En vooral om nooit te vergeten wat dit teken van Jezus betekent om Gods presentie onder ons op het spoor te komen.

Ignace D’hert o.p.


Lezingen

Exodus 12, 1-8.11-14 

Jahwe richtte het woord tot Mozes en Aäron in Egypte, en sprak:  `Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar.  Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam.  Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust.  Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen.  Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering.  Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt.  In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor Jahwe.  Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken. Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla.  Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.

Evangelie volgens Johannes 13, 1-15

Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.  Het avondmaal was begonnen. De duivel had reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan ingegeven om Hem over te leveren. In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee.  Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.  Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: “Heer wilt Gij mij de voeten wassen?”  Jezus gaf hem ten antwoord: “Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.”  Toen zei Petrus tot Hem: “Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!” Jezus antwoordde hem: “Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.”  Daarop zei Simon Petrus tot Hem: “Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.”  Maar Jezus antwoordde: “Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.”  Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: “Niet allen zijt gij rein.”  Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: “Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?  Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.  Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.  Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.

Mots-clés: Preek Knokke

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be