Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

3rde zondag van de veertigdagentijd

Didier Croonenberghs
Zondag 15 maart



Version française du texte ci-dessous

Ik neem aan dat je al naar een winkel of warenhuis bent geweest... en bent vertrokken met iets anders dan wat je nodig had of van plan was te kopen... Het is vroeg of laat iedereens ervaring! We hebben ook soortgelijke ervaringen in onze relaties en menselijke ontmoetingen. Dit is wat grappig is aan dit buitengewone verhaal van de Samaritaanse vrouw die we zojuist hebben gehoord. Het evangelie is een prachtige manier om met de dubbele betekenis om te gaan! Bij de put van Sykar kreeg Jezus uiteindelijk niet het water dat hij was komen halen. Moe en dorstig,  — letterlijk uitge-put — wil Jezus zijn dorst lessen. Maar als we ons aan de tekst houden, geeft de Samaritaanse vrouw hem niet te drinken. Anderzijds ging deze vrouw niet weg met het water dat ze dacht nodig te hebben. Verloren, emotioneel uitgeput, vertrok de Samaritaanse vrouw zonder datgene waar ze voor gekomen was, maar met veel meer dan ze durfde te hopen!

Dit is de ervaring van elke ontmoeting in waarheid. We vertrekken met veel meer dan we dachten dat we zouden krijgen.

Deze dialoog vindt plaats op het middaguur, wanneer er geen schaduwen zijn, geen maskers, geen ontsnappingsmogelijkheid. Alsof we onszelf confronteren met het essentiële. Deze ontmoeting van het evangelie is het beeld van al onze ontmoetingen wanneer een persoon - door zijn woord, door een gebaar of een eenvoudige aandacht - ons helpt om tot de waarheid over onszelf te komen. We kunnen in feite deze mensen ontmoeten die ons uitvergroten, die ons dwingen om in onszelf het verlangen naar waarheid uit te diepen, het verlangen om lief te hebben en bemind te worden in ruil daarvoor. "Elk verzoek is altijd een verzoek om liefde", schreef de psychoanalyticus Lacan.

Dit is wat dit Evangelie van vandaag ons uitnodigt te herontdekken: te drinken uit de bron van wat ons werkelijk draagt.   Dit is wat Jezus deze vrouw van Samaria aanbiedt: hij laat haar toe zichzelf te zijn, wat haar verhalen of haar verleden ook mogen zijn. Hij laat haar haar angst, haar schaamte, haar oordelende blik achter zich laten, zodat ze zich niet meer kan verstoppen, zodat ze terug kan keren naar de stad en anderen kan laten zien hoe ze is! Soms zijn er maar een paar woorden nodig om de moed te herstellen, om iemand in alle waarheid onder ogen te zien. Net als bij de Samaritaanse vrouw zijn onze reizen misschien bezaaid met fouten, doodlopende wegen, schimmige gebieden, mislukkingen waar we uit proberen te ontsnappen. Dit zal nooit het einde van ons verhaal zijn. De gelukkige en moeilijkere gebeurtenissen, de vreugdevolle of pijnlijke ontmoetingen verbleken nooit helemaal, maar zijn in ons gegrift in de put van ons hart. Of onze wateren nu stilstaan, of dat de nostalgie of het onvermogen om vooruit te komen er zich vestigen, God zal ons daar altijd ontmoeten, in ons hart, op die zeer precieze plaats waar we alleen kunnen komen om onze batterijen weer op te laden. De Samaritaanse vrouw dat ben jij, dat ben ik, met onze waterreservoirs en stilstaand water. Vol met vragen waarschijnlijk, met niet opgeloste problemen ongetwijfeld, met familiale of sentimentele moeilijkheden misschien... Maar wat onze wegen ook zijn, als we over de rand van ons hart overhellen om onze dorst te lessen, worden we niet terug naar onszelf gebracht, maar kunnen we ons openstellen voor het anderszijn.

Dit is het buitengewone pad van de Samaritaanse vrouw. Ze ervaart een diepe put... Als we ons naar binnen buigen, reflecteert het water op de bodem ons beeld niet, op een narcistische manier, maar leidt het ons naar iets dat nog dieper ligt!  De vraag die ons wordt gesteld is dus heel eenvoudig: waar vinden we onze herbronning? Wat is dit nou, die put, dit emotionele reservoir die  gewoon wacht om gevuld te worden? Wat is dit nou, deze evenwichtsplaatsen, die we moeten opvullen, waaraan we soms onze dorst moeten lessen om zelf niet uitgeput te raken?  Om daar achter te komen, zullen we altijd uitgenodigd worden om aan de rand van ons hart te zitten, om onze geschiedenis te herlezen, in waarheid, zonder schaamte of trots, in de middagzon, in het licht van Christus. Niets kan dit dieptebeeld in ons wegnemen - ouderdom noch ziekte - omdat het zijn bron in God heeft. Het is die plaats waar een bron altijd zal ontspringen en waar de Geest ons onophoudelijk bereikt.  Dit is de weg die we moeten inslaan : de waarheid over onszelf te maken door de omweg van degenen die we proberen lief te hebben. Dan ontdekken we een bron van leven en liefde die altijd dieper is dan we ons voorstellen. Amen.

Je suppose qu’il vous est déjà arrivé de vous rendre dans un magasin ou une grande surface… et de repartir avec autre chose que ce dont vous aviez besoin ou que vous comptiez acheter… Le constat est banal ! Nous faisons également des expériences similaires dans nos relations et nos rencontres humaines. C’est ce qu’il y a  d’amusant dans cet extraordinaire récit de la Samaritaine que nous venons d’entendre. L’évangile manie à merveille le double sens ! Au puits de Sykar, Jésus n’a finalement pas reçu l’eau qu’il était venu chercher. Fatigué et assoiffé, —littéralement épuisé— Jésus veux étancher sa soif. Mais si nous nous en tenons au texte, la Samaritaine ne lui donne pas à boire. D’autre part, cette femme n’est pas repartie avec l’eau dont elle pensait avoir besoin. Perdue, affectivement épuisée, la Samaritaine repart sans ce pour quoi elle était venue, mais avec bien davantage qu’elle n’osait espérer !

Voilà l’expérience de toute rencontre en vérité. Nous repartons avec bien plus que ce que nous n’imaginions recevoir.
Ce dialogue se passe à midi, lorsqu’il n’y a pas d’ombre, pas de masque, pas de fuite possible. Comme pour nous confronter à l’essentiel. Cette rencontre de l’évangile, c’est l’image de toutes nos rencontres lorsqu’une personne —par sa parole, par un geste ou une simple attention— nous aide à faire la vérité sur nous-même. Nous pouvons en effet rencontrer ces personnes qui nous magnifient, nous poussent à creuser en nous le désir de vérité, le désir d’aimer et d’être aimé en retour. « Toute demande est toujours une demande d’amour », écrira d’ailleurs le psychanalyste Lacan.

Voilà ce que nous invite à redécouvrir cet Évangile: nous abreuver à la source de ce qui nous porte réellement.  

C’est ce qu’offre Jésus à cette femme de Samarie: il lui permet d’être elle-même, quelles que soient ses histoires ou son passé. Il lui permet de quitter l’angoisse, d’abandonner la honte, le regard qui juge pour ne plus se cacher, pour revenir à la ville et se montrer aux autres telle qu’elle est! Il suffit parfois de quelques mots pour redonner courage, pour remettre quelqu’un face à lui-même en toute vérité. Comme pour la Samaritaine, nos parcours ont peut-être été semés d’erreurs, d’impasses, de zones d’ombres, d’échecs que nous essayons de fuir. Ceux-ci ne constitueront jamais la fin de notre histoire. Les événements heureux et plus difficiles, les rencontres joyeuses ou douloureuses ne s'effacent jamais complètement mais s'inscrivent en nous dans le puits de notre cœur. Que nos eaux soient stagnantes, que la nostalgie ou l’incapacité d’avancer s’installe, Dieu nous rencontrera toujours-là, dans notre cœur, en ce lieu très précis où nous pouvons venir seul nous ressourcer.

La Samaritaine, c’est vous, c’est moi, avec des citernes et des eaux dormantes. Encombré de questions probablement, de problèmes à gérer sans doute, de difficultés familiales ou sentimentales peut-être…Mais quelles que soient nos routes, lorsque nous nous penchons à la margelle de notre coeur pour nous désaltérer, nous sommes ramenés non plus à nous-mêmes, mais nous pouvons ouvrir à l’altérité. Voilà l’extraordinaire chemin de la Samaritaine. Elle fait l’expérience d’un puits profond… Lorsqu’on se penche à l’intérieur, l’eau au fond ne nous renvoie pas notre image, de façon narcissique, mais nous amène à quelque chose de plus profond encore !

La question qui nous est posée est dès lors toute simple: quels sont nos lieux de ressourcements? Quel est ce puits, ce réservoir émotionnel qui ne demande qu’à être rempli? Quel est ce puits, ces lieux d’équilibre, qu’il nous faut remplir, auquel nous devons parfois nous abreuver pour ne pas nous épuiser?

Pour le découvrir, nous serons toujours invités à nous asseoir à la margelle de notre cœur, pour y relire notre histoire, en vérité, sans honte ni fierté, en plein midi, à la lumière du Christ. Ce puits en nous, rien ne pourra nous l’enlever —ni la vieillesse, ni la maladie— car il trouve sa source en Dieu. Il est ce lieu où naîtra toujours une source jaillissante et où l’Esprit nous rejoint sans cesse.

Tel est bien le chemin que nous sommes invités à emprunter. Faire la vérité sur soi par le détour de ceux que nous essayons d’aimer. Alors, nous découvrirons un source de vie et un amour toujours plus profond que nous ne l’imaginons. Amen.

Joh. 4, 5-42

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd,
dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob
en vermoeid van de tocht
ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
Het was rond het middaguur.
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten
zei Jezus tot haar:
“Geef Mij te drinken.”
De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse zei tot Hem:
“Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?”
Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen.
Jezus gaf ten antwoord:
“Als ge enig begrip had van de gave Gods
en als ge wist wie het is, die u zegt:
Geef Mij te drinken,
zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
en Hij zou u levend water hebben gegeven.”
Daarop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, Ge hebt niet eens een emmer
en de put is diep:
waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf
en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”
Jezus antwoordde haar:
“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,
maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
zal in hem een waterbron worden,
opborrelend tot eeuwig leven.”
Hierop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst meer krijg
en hier niet meer moet komen om te putten.”
Jezus zei haar:
“Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”
“Ik heb geen man”,
antwoordde de vrouw.
Jezus zei haar:
“Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;
want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.
Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken.”
“Heer,” zei de vrouw,
“ik zie dat Gij een profeet zijt.
Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
en gij, Joden, zegt
dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.”
“Geloof Mij, vrouw,”
zei Jezus haar,
“er komt een uur dat gij noch op die berg,
noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
Gij aanbidt wat gij niet kent;
wij aanbidden wat wij kennen,
omdat het heil uit de Joden komt.
Maar er zal een uur komen,
ja, het is er al,
dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden
in geest en waarheid.
De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
God is geest, en wie Hem aanbidden,
moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
De vrouw zei Hem:
“Ik weet dat de Messias,
dat wil zeggen: de Gezalfde,
komt, en wanneer Die komt,
zal Hij ons alles verkondigen.”
Jezus zei tot haar:
“Dat ben Ik, die met u spreek.”

Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug
en zij stonden verwonderd,
dat Hij in gesprek was met een vrouw.
Geen van hen echter vroeg:
“Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Gij met haar?”

De vrouw liet haar waterkruik in de steek,
liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
“Komt eens kijken naar een man,
die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb!
Zou Hij soms de Messias zijn?”
Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden:
“Eet toch iets, Rabbi.”
Maar Hij zei hun:
“Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
De leerlingen zeiden tot elkaar:
“Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?”
Daarop zei Jezus hun:
“Mijn spijs is,
de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft
en zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst?
Welnu, Ik zeg u:
slaat uw ogen op en kijkt naar de velden;
ze staan wit, rijp voor de oogst.
Reeds krijgt de maaier zijn loon
en verzamelt vrucht tot eeuwig leven,
zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.
Ik stuurde u uit
om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd;
anderen hebben gezwoegd
en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem
om het woord van de vrouw die getuigde:
“Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”
Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
verzochten zij Hem bij hen te blijven.
Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
Tot de vrouw zeiden ze:
“Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
want wij hebben Hem zelf gehoord
en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

 

                                                                   

                                                          

 

 

Mots-clés: Preek Knokke

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be