Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

5de zondag door het jaar (A)

Bernard De Cock
Zondag 9 Februari

Er is een mooi verhaal over de componist Joseph Haydn. Op het einde van zijn leven was de man te oud geworden om zelf nog te dirigeren. Maar hij woonde soms nog concerten bij. Zo droeg men hem eens een concertzaal binnen om te luisteren naar zijn eigen oratorium ‘Die Schöpfung’, o.l.v. de bekende Antonio Salieri. In het begin van dat werk is er de passage van het koor dat zingt met zachte stem en in mineur: ‘en God sprak, er zij licht’, daarna gaat het nog zachter verder: ‘en-er-was’ – ‘licht’. Op dat woord krijg je een lange schitterende muzikale explosie met volle koor en orkest, in een feestelijke do groot. Precies op dat kippevel-moment richt de afgeleefde Haydn zich moeizaam op, steekt zijn hand naar omhoog, naar de hemel, en roept uit: ‘Dat komt daar vandaan’.

Dit verhaal is ontroerend, omdat Haydn hier spontaan de kern van ons geloof heeft aangeraakt. Het allereerste woord dat God in de Bijbel spreekt, is het woord ‘licht’. De aarde was woest en leeg en duister, zoals ze dat tot op vandaag nog steeds is. Het enige antwoord dat God van in het begin – ook tot op vandaag – geeft, is: er zij licht. En ik voeg daar aan toe dat elk van ons persoonlijk hoopt dat God op het einde, bij onze dood, zal zeggen: er zij licht. Dat zingen we in elk geval tijdens de begrafenisliturgie: lux aeterna luceat eis, het eeuwige lícht strale over hen.

Het licht blijkt dus een beeld te zijn van een écht, duurzaam geluk, meer zelfs, een beeld van degene die in staat is ons een dergelijk geluk aan te reiken. Daarom is het niet verwonderlijk dat in onze christelijke traditie het licht symbool is van God zélf, zoals Jezus Hem aan ons deed kennen. Een liefhebbende goddelijke gids die ordening aanbrengt in chaos en bevrijdt van verblinding. De dragende grond in een onzeker of kil bestaan. Ja, vooral in de koude, duistere, stuurloze momenten van ons leven hunkeren wij naar het beeld van die goddelijke gids die ons liefheeft. Zo dikwijls zien wij niet goed uit onze ogen, zijn de contouren van de werkelijkheid niet helder, zijn wij elke warmte, liefde en geborgenheid kwijt. En aan het licht smeken wij dan: doe mij scherp zien, maak mij warm, bescherm mij, overdek mij.

Gaat het hier dan enkel over mij als individu? Als ík het maar warm heb… als ík mij maar geborgen weet… Niet zo volgens Jezus. Zoals hij het zelf deed, vraagt hij ons het goddelijke licht door te stralen naar de anderen. Opdat niemand uit de gemeenschap, uit het zinsverband, uit de vriendschap zou vallen. Staan in het licht is elkaar vasthouden. Vooral die mensen vasthouden die alleen komen te staan en daardoor hun leven ervaren als drukkend en donker: ’t zijn lange dagen, hoor ik ze dikwijls verzuchten.

Ons doorstralen van het goddelijk licht op anderen beschrijft de dichter Huub Oosterhuis heel treffend in een van zijn liederen. Hij zegt: “Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt, waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.” Het licht zelf wordt een soort kind in mij, een innerlijk licht dat uit mijn ogen kijkt. Het licht overdekt sommige mensen zozeer, wordt zo sterk als warmte in hen opgenomen, dat hun huid en hun ogen zelf lichtdragers worden en op hun beurt licht laten schijnen op wat om hen heen gebeurt. Je ziet het aan hen. Ze stralen. Hier komen we terecht bij de evangelielezing van vandaag.

Jezus combineert hier drie beelden, licht, stad en lamp, om te zeggen dat wij christenen door onze manier van leven – hij noemt dat: ‘goede werken’ – licht en warmte kunnen brengen in een koude en donkere wereld. Het zijn eenvoudige beelden die Jezus gebruikt. Een lamp op de standaard, die zich wegschenkt in het donker om het hele huis te verlichten, waardoor allen in dat huis kunnen zien. Of het licht dat voor het oog van de mensen moet stralen, waardoor men ziet welke levenswandel echte toekomst heeft. Of een stad die duidelijk zichtbaar is omdat ze boven op een berg ligt. Jezus zal hier gedacht hebben aan Jeruzalem in haar beste gestalte, namelijk als een stad van vrede en geluk voor iedereen. Daar is het goed toeven. Daar mag iedereen naartoe.

Jezus voegt er nog een vierde beeld aan toe. Dat van het zout. Ook gemakkelijk te begrijpen omdat het genomen is uit het dagelijks leven. Zout heeft twee functies: smaak geven aan het eten en het voedsel bewaren voor bederf (pekelen, zeiden de mensen vroeger). En net zoals het licht zich in het duister moet verliezen om klaarte te geven, zo moet het zout oplossen in voedsel om er smaak aan te geven of om het voedsel langdurig te bewaren. Jezus past dat toe op ons, christenen. Uw handelen moet smaak geven aan de wereld en de wereld voor bederf bewaren.

Als ik dat zo hoor, dan zeg ik: het is bijna niet te doen, wie durft dat aan? Het lijkt wel ongepaste pretentie. Wie denken wij wel dat wij zijn? En toch vraagt Jezus het van ons, zo sterk vertrouwt hij ons, zo hoog waardeert hij ons. Het mag toch ook eens gezegd worden dat hier een heel ander godsbeeld naar voor komt dan hetgeen velen van ons in hun opvoeding meekregen. God is niet de oneindig grote tegenover ons, miezerig kleine mensjes. Neen, Hij is als een fiere ouder die trots is op wat zijn kinderen voor elkaar krijgen, en zegt – zoals Hij het indertijd ook aan Jezus zei: jij bent mijn welbeminde. Proficiat. Blijf de manier van leven, zoals Ik die wil, trouw en wees niet bevreesd om die te laten zien in de samenleving. Durf er een stralende getuigenis van geven. Woorden wekken, voorbeelden trekken. Zoiets.

Wat die manier van leven dan concreet inhoudt, kregen we prachtig verwoord in de eerste lezing: “uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder; geen vinger bedreigend uitstekent en geen valse aanklachten indienen.” Als je dat allemaal en zoveel meer nog doet, zegt Jesaja, zal uw licht stralen in de duisternis. Duidelijker kan het niet.

Toch blijf ik hier op het einde van mijn preek nog verveeld zitten met het gevaar van pretentie. Jezus zelf besefte dat gevaar van eigendunk maar al te goed. Daarom zegt hij op het einde: laat uw licht stralen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is. Ons stralend licht zal maar deugd doen wanneer we ons bewust zijn dat het Gods licht is dat ik zelf gekregen heb; wanneer we, bevrijd van egocentrisme en eigenwaan, transparant worden voor Gods licht en een glasraam worden waardoor het licht veelkleurig kan schijnen. De heiligen gaan ons daarin voor. Hun leven is getekend door grootheid en kleinheid, maar ze laten zich in de mengelmoes die hun leven is, omstralen door God en worden aldus een stralende persoonlijkheid die zich tegelijk ontfermt over de medemens en verwijst naar het mysterie van Gods licht en liefde. Niet voor niets hebben heiligen een stralenkrans rond het hoofd of rond het hele lichaam.

Het evangelie vraagt uiteraard een persoonlijke beleving, maar is daarom nog niet louter een privé-aangelegenheid. De lamp mag gerust op de standaard staan. Amen.

 

 

                                                                   

                                                          

 

 

Mots-clés: Preek Knokke

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be