Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

2de zondag van de advent (A)

Bernard De Cock
Zondag 8 december

2de zondag van de advent (jaar A)

Onlangs hoorde ik een mooie beschouwing over de liturgische kleur van de Advent. U ziet het, die is paars. Het is de combinatie van rood en blauw. Ik heb het hier nu uiteraard niet over de politiek. Rood en blauw, paars dus, is de kleur van de gemengde gevoelens. Enerzijds de kleur van boete en bekering en anderzijds de kleur van hoop en verwachting. Blauw zijn onze dromen en verwachtingen. Een stralend blauwe hemel. Rood is de aarde die gedrenkt is in het bloed van de slachtoffers van oorlog en geweld, overal ter wereld. Blauw is de droom van vrede en gerechtigheid en rood is de rauwe werkelijkheid van onze wereld. En wanneer je dat rood en blauw bij elkaar brengt, wanneer je de rauwe werkelijkheid van onze wereld samenbrengt met de droom dat die wereld er heel anders kan uitzien, dan krijg je het paars van de Advent. Kleur van spijt en bekering en verzoening. Koninklijke kleur ook, van het Kind dat komt en dat een Koningskind zal zijn.

De twee krachtige lezingen van daarnet spreken precies daarover. In de eerste lezing droomt Jesaja van een hemel op aarde, van een wereld waar Gods gerechtigheid mag heersen. Maar dat vergt van ons wel een radicale bekering, zo vult Johannes De Doper aan in de evangelielezing. Jesaja en Johannes zijn beiden profetische figuren, en ze verwijzen alletwee naar Jezus Messias als degene die zal komen. In zijn persoon zal God zichzelf laten zien. 

Wat zijn eigenlijk profeten? Profeten hebben een diep godsgeloof. Ze geloven dat God een hartstocht heeft voor élke mens, voor élk van zijn schepselen die Hij in het leven riep. Opdat ieder van ons gelukkig zou zijn, een menswaar­dig leven zou kunnen leiden. Maar wanneer wij mensen dit aantasten – al was het maar door één van zijn schepselen onrecht aan te doen, dan zijn we ontrouw aan Gods liefde, en wordt God kwaad, zo zeggen de profeten. Het is die kwaadheid van God die in hen vaart, als ze kijken naar de wereld waarin ze leven, als ze kijken naar wat in die wereld verkeerd gaat en wat dus ingaat tegen wat God van elk van ons verlangt. En dan wordt hun profetische taal cassant: de misdaden van mensen verduisteren het licht, hun handen zijn besmeurd met bloed, aan hun vingers kleeft het geld van ongerechtigheid, hun lippen braken leugens, ze plegen geweld, kennen geen vrede, ze plunderen het land leeg, hun rechters zijn corrupt, grond van kleine mensen pakken ze af tot er geen grond meer over is, noemen goed wat kwaad is, laten mensen verhonge­ren terwijl ze geld uitgeven voor oorlog, omdat ze geil zijn op macht. Dit zijn woorden uit de Bijbel. En dan hoor je de pijnlijke hedendáágse echo van die Bijbelse schreeuw: al die slachtoffers van mensenhandel, drugshandel en maffia, misbruikte kinderen en verwoeste gezinnen, vluchtelin­gen, asielzoekers, illegalen, de grauwe armoede en uitsluiting.

Maar profeten zijn niet enkel negatief. Ze geven ook de blauwdruk van een samenleving waar wel degelijk vrede, gerechtigheid en liefde de agenda bepalen, en niet oorlog, hebzucht en haat. We hebben daar een mooi voorbeeld van gehoord in de beschrijving door Jesaja van een nieuwe wereld. De wolf huist bij het lam, de panter bij het geitje, het kind mag zijn hand in het nest van de slang steken. Om die nieuwe wereld te bereiken, roept Johannes de Doper ons toe, moeten wij echter nu al een begin maken met een persoonlijke en maatschappelijke bekering: economisch, ecologisch, sociaal.

De Advent is een belangrijke liturgische periode voor ons, christenen. Het is de periode van het niet vergeten, van de herinnering. Zich herinneren is in een samenleving gevaarlijk. Want de herinnering aan het verleden laat ons zien wat in dat verleden onaf gebleven is, onvervuld. Er is de traditie van oude visioenen van hoop op een betere wereld, er is de overlevering van oude dromen die generaties vóór ons hebben bezield. Denk aan de twee lezingen van daarnet. Dromen die, ooit gedroomd, toch niet gerealiseerd of van buitenaf onderdrukt werden. In het verleden steekt nog zoveel toekomst. De herinnering roept dat wakker en kan aldus de mentaliteit van 'je kunt er toch niets aan doen' doorbreken. Iedere verstarde of dictatoriale samenleving is terecht bevreesd voor de kracht van de herinnering.

Christenen cultiveren de herinnering aan het heimwee dat bij de profeten leefde, het heimwee naar de komst van de goddelijke liefde in deze wereld. We herinneren ons het reikhalzend uitzien naar Gods laatste en beslissende gezant die deze liefde belichaamt. Iemand die het kwaad een halt toeroept. Iemand die opkomt voor de mensen die niet in staat zijn zélf hun rechten af te dwingen. Wij christenen geloven dat die belofte vervuld is, dat de gezant van God is gekomen, geboren als het kindje Jezus met kerstmis, en volwassen geworden als de man die in zijn eigen leven de verwachtingen heeft ingelost. Jezus van Nazareth is in zijn leven de belichaming geweest van Gods liefde. Maar toch zien wij dat wij van de profetische droom, ondanks Jezus' leven en voorbeeld, weinig hebben terecht gebracht. Of als we rondom ons kijken en het Bijbels formuleren: de panter vreet wel degelijk het geitje op, de wolf verslindt wel degelijk het lammetje en het kleine kind wordt door de slang gebeten. Daarom is de herinnering aan de nog niet verwezenlijkte droom van de profeten en aan Jezus’ leven een wapen dat wij moeten en kunnen hanteren in onze strijd voor menselijkheid. Laten we elkaar daarin bemoedigen en steunen. Het is zeker de beste ee

 

 

 

Mots-clés: Preek Knokke

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be