Sint-Dominicushuis
Sparrendreef 91
8300 Knokke-Heist

31ste zondag door het jaar (C)

Jef Schoenaerts
Zondag 3 november

Het verhaal van Zacheüs is overbekend. Omdat het zo plastisch verteld wordt,  kennen de meesten het al van kindsbeen af.    Vaak wordt het op dezelfde manier  geïnterpreteerd als de vele evangelieverhalen over zieken die door Jezus worden  genezen. Maar misschien is dat toch wel wat kort door de bocht. Om het eigene van het Zacheüsverhaal te begrijpen, wil ik daarom even terugkeren  naar het verhaal  nét daarvoor in het evangelie.    Het gaat over een blinde man die  begint te roepen als Jezus in de buurt is. De omstaanders proberen hem te doen  zwijgen maar hij roept alleen maar luider.  Wat wil die blinde?  Hij zoekt hulp voor  een heel concrete nood: hij wil létterlijk weer zién.   Mensen roepen Jezus vanuit  hun fysiek of mentaal lijden, vanuit de dood rondom hen: ze zijn talloos in het  evangelie.  Denken we maar aan Jaïrus die weent om zijn overleden 12-jarig  dochtertje, aan de schoonmoeder van Simon Petrus met hoge koorts, aan de man  met de verschrompelde hand, aan de kromgebogen vrouw gekweld door een boze  geest,…     


Geen inspanning is hen teveel om door Jezus gezien te worden,  aangeraakt te worden in de hoop op genezing: ze smeken, ze krijsen als het moet en  desnoods gaan ze door een gat in het dak…  Het ene zien roept het andere op: al deze mensen die gekwetst zijn naar lichaam of  geest willen Jezus zien en de wederkerigheid ontstaat: Jezus op zijn beurt ziet hén  zelfs als omstaanders dat proberen dat te verhinderen. En Jezus staat effectief stil bij het lijden van elk van hen, bij hun concrete nood.   

Zo laat Jezus de blinde man tot bij zich brengen, hij vraagt wat hij kan doen en  geeft hem het zicht terug. Zò is de god van Israel, Jahweh:  een god die de armen  tegemoet komt, blinden het zicht teruggeeft, gevangenen bevrijdt.   Deze boodschap  die hij via de profeet Jesaja aankondigt, raakt in Jezus tenvolle vervuld: Hij doet  blinden zien en lammen lopen.   Hoe je dat concreet ook moet of kan verstaan, onze  god hòòrt de gekwetste mens en komt hem tegemoet.  Het willen zién van Zacheüs heeft een heel andere insteek: het is geen concrete  nood die hem drijft want hij is rijk en voor zover we weten is hij ook gezond.   Bij  hem is er een drijfveer die  eerder onbestemd is (!) die minder onder woorden kan  worden gebracht, …   maar toch intens en dwingend is. 

Het gaat over een  verlangen naar vervulling, onder welke vorm dan ook.   

Net omdat het zo’ n woordeloos verlangen is, kan het  meerdere kanten uit en kunnen we slechts de richting ervan vermoeden:  + Misschien wil Zacheüs  graag erkend worden in wie hij is, ook in wie hij mààr is? + Of voelt Zacheüs aan hoe die rondtrekkende profeet mensen vrij en heel kan maken? + Verlangt Zacheüs ondanks zijn rijkdom naar een ander soort vervulling van zijn leven? + Of zegt zijn innerlijk kind hem dat Jezus hem tot puur, tot gelukkiger leven kan brengen?  Waar dat verlangen van Zacheüs zich ook op richt, er is in hem een openheid, een  soort humus waarin plaats en kiemkracht is voor een onvoorziene, onverhoopte  vorm van opwekking.  Dààrom verlangt hij Jezus te zien.   

Meer nog: hij verlangt  dat Jezus hém ziet.  Want intuitief weet hij dat hij in staat is  - met vallen en opstaan  - een ander mens te worden:  iemand die leert bidden, die zichzelf toevertrouwt aan  een kracht die groter is dan hemzelf, die weet heeft van zijn eigen afgrond, die  vraagt om een hand die richting geeft, die hoopt herboren te worden, die beseft  dat je de eeuwige vraag naar vervulling moet wakker houden, … Wat zich binnenshuis concreet afspeelde tussen Jezus en Zacheüs weten we niet.   

We kunnen wel sterk vermoeden dat Zacheüs bij Jezus woorden heeft gevonden die  hem effectief tot een ander mens maken.  Méér nog, Zacheüs heeft zichzélf  gevonden, heeft zijn bestemming gevonden.   Want zijn naam betekent “ de rechtvaardige, de onschuldige”.  Waar vroeger die  naam spot en schamperheid opleverde, wordt het nu een eretitel.   

Met die naam  kan hij voortaan rechtop door het leven.  En heel sterk: Zacheüs blijft met zijn twee  voeten staan in het leven zoals hij het tot nu toe heeft geleid.   Hij volgt Jezus niet  naar Jeruzalem (zoals eerder de tollenaar Levi) maar blijft in Jericho. Wellicht  blijft hij zelfs tollenaar maar met de ingesteldheid om voortaan niet meer af te  persen en vroeger onrecht te herstellen.     

Hoe diep moet je niet gegrepen zijn en in  je eigenheid erkend, als je je concrete bestaan zo ondersteboven haalt.   De evolutie die Zacheüs in het verhaal doormaakt, riep bij mij spontaan het gedicht  “Kom in mij” naar boven. 

Het is een gedicht dat Huub Oosterhuis schreef als een  gebed, als de verwoording van het verlangen  dat sluimert in ieder mens, ook in ons  dus: het verlangen om gezien en erkend te worden, om de eigen onmacht te  overstijgen, om te leven in de schaduw van de Onnoembare. Als ik de tekst leg op het evangelieverhaal en omgekeerd, krijgt het verlangen van Zacheüs woorden, krijgt ook mijn verlangen woorden, wordt zijn ervaring  herkenbaar voor mijzelf.   Op het blad dat u bij het binnenkomen heeft gekregen, vind je het gedicht aan de  ene kant en flarden uit het evangelie van vandaag aan de andere kant.    Waar  woorden op gelijke hoogte staan, verlenen ze elkaar betekenis, doen ze misschien  een belletje rinkelen, laten ze misschien iets zien van het innerlijk proces dat zich  bij Zacheüs afspeelt.   

Het zou een gebed kunnen zijn dat Zacheüs in de mond heeft  genomen. Het zou een gebed kunnen zijn dat wijzelf in de mond nemen…. 

Mots-clés: Preek Knokke

© Dominicains de Belgique 2019
© Dominicanen in Belgïe 2019
webmaster@dominicains.be