Vijftiende zondag door het jaar (C)

Bernard De Cock - Over een Samaritaan die barmhartigheid betoonde
Zondag 14 juli

Het zijn niet alleen de jonge mensen die het druk hebben. Wij allemaal, zelfs de senioren, zijn niet gespaard van de ongelooflijke haast, waar Herman Van Veen over zingt: “Opzij, opzij, opzij/maak plaats, maak plaats, maak plaats/we hebben ongelofelijke haast/we moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.” Hoe dan ook, wij hebben allemaal onze projecten waar we willen voor gaan. Waar we vaart willen achter steken. Waar we iets voor over hebben en waar we dus veel tijd willen en moeten aan besteden. Dat is goed: een relatie vorm geven, een carrière opbouwen, een gezin stichten, een bedrijf opstarten. Het zijn activiteiten, projecten waar we ons leven zin en inhoud mee geven.

Een mens zou d’er alles voor doen om daarin te slagen. Eigenlijk gaat het erom dat ik het leven dat ik zomaar gekregen heb, een eigen vorm wil geven, een eigen gestalte. Ik wil er mijn stempel op drukken. Die van mij, en geen andere. Daardoor wordt hét bestaan mijn concreet leven, zoals ík het wil en kan invullen. Het is zeker geen evidentie dat dit lukt. Het is al heel wat als mensen in deze ingewikkelde samenleving hun leven gewoon wat op orde krijgen. 

Maar bij de invulling van ons leven merken we al vlug dat we geen Robinson Crusoë zijn op een onbewoond eiland. In het vormgeven van mijn leven word ik geconfronteerd met anderen die ook bezig zijn met hun levensprojecten. Die anderen duikelen zomaar mijn bestaan binnen, ongevraagd. Sommigen kan ik misschien nog inschakelen op mijn eigenste weg, maar velen lopen mij ook voor de voeten en eisen hun plaats op. Ze laten duidelijk blijken dat ook zij aan hun project bezig zijn. Dit alles gebeurt in onze tijd in een ongelooflijke haast, zoals ik daarnet zei. Niemand lijkt nog tijd te hebben om even stil te staan. ‘Haastige concurrentie’, zou je kunnen zeggen. Welnu, dat is eigenlijk de setting van Jezus’ verhaal over de barmhartige Samaritaan.

We hebben vier figuren in ons verhaal: de man die overvallen werd en halfdood op de weg ligt, en drie mensen die dit slachtoffer van geweld op hun tocht zien liggen. We kunnen ons voorstellen dat alle vier in Jeruzalem zijn vertrokken met bepaalde plannen in hun hoofd, dat ze de weg naar Jericho hebben genomen, en dat elk van de vier in een situatie verzeild is geraakt die hij nièt gepland heeft.  Een onvoorziene gebeurtenis die niet in zijn ‘project’ past. Laten we dat eens van nabij bekijken.

De confrontatie met het onvoorziene is het meest schokkend voor het slachtoffer zelf. Vraag dat maar eens aan mensen die overvallen werden. We weten allemaal wel dat het ons kan gebeuren, maar zijn daar eigenlijk niet voortdurend mee bezig. Gelukkig maar! Als het dan toch gebeurt, is het altijd buiten onze plannen gerekend. Ook geen enkele van de drie passanten, noch de priester noch de leviet noch de Samaritaan, hebben er op voorhand op gerekend of hebben het gepland om een halfdode man op hun weg tegen te komen. We kunnen ons voorstellen dat de priester en de leviet in Jeruzalem hun religieuze taken hebben uitgevoerd en nu naar huis terugkeren. Hun levensproject, dat zin geeft aan hun bestaan, is het priesterlijke ambt om via offers in de Tempel te bemiddelen tussen God en de mensen. Vandaag komt toevallig een anoniem slachtoffer op hun pad. Ze zijn daar blijkbaar niet op voorzien en ervaren die onverwachte confrontatie als vervelend. Misschien worden ze wel onrein door de halfdode aan te raken, en kunnen ze hun beroep, namelijk hun offerwerkzaamheden morgen niet meer uitoefenen. Ze willen dus niet onderbroken worden door die lijdende ander, en gaan er met een boog om heen. Dat het hier om een priester en een leviet gaat, maakt de zaak heel schrijnend, want uitgerekend zij moeten dicht bij de mensen staan om voor hen te bemiddelen bij de barmhartige God. Voor hen stopt godsdienst blijkbaar bij de offerrituelen zelf, terwijl Godsliefde en liefde voor de ander volgens de Tora moeten samengaan.  

Maar ook de Samaritaan is die morgen niet opgestaan met de gedachte: ik zal vandaag eens iemand helpen, ik zal eens een sukkelaar zoeken die halfdood op de weg ligt, hem bijstaan en verzorgen. Neen, hij is gewoon ’s morgens op reis vertrokken, misschien een zakenreis. Het is tijdens die reis, temidden van het gewone dagdagelijkse, dat een halfdode man hem als het ware toevalt. Dus ook de Samaritaan heeft daar niet voor gekozen, en daar dus ook niet op gerekend dat hij zou onderbroken worden in zijn geplande levensproject. Maar, anders dan de priester en de leviet, laat hij zich onderbreken, laat hij zich raken door de noodlijdende ander, hij gaat in op de nood die op hem afkomt. Hij solidariseert zich met de pijn van de ander. Ook hier is het veelbetekenend dat het om een Samaritaan gaat. Samaritanen werden door Joden als minderwaardig bekeken, en juist een dergelijk iemand beleeft de joodse Tora op een voorbeeldige manier. Precies hij brengt de liefde voor de ander in praktijk.

‘Wie is mijn naaste?’ had de wetgeleerde aan Jezus gevraagd. Om op die vraag te antwoorden heeft Jezus dit verhaal verteld. En na zijn verhaal draait Jezus de vraag om: ‘Van wie ben jij de naaste geworden?’. Aan wie betoon jij barmhartigheid? Mensen komen ongevraagd op ons levenspad. Dat de ander, de halfdode uit het verhaal, anoniem is, is heel belangrijk. Het is dus niet iemand die ik sympathiek vind of die ikzelf heb uitgekozen, het is niet noodzakelijk iemand die bij mij past of mijn vriend is. Het zijn niet noodzakelijk familieleden of bloedverwanten of volksgenoten. Het is de ander als ander die mij aankijkt op mijn ver-antwoord-elijkheid, die mij oproept om hem of haar nabij te zijn. Als de ander, en vooral de lijdende ander, in mijn levensproject binnenduikelt, ben ik eigenlijk niet meer alleen de baas in mijn leven. Ik word midden mijn haastige leven onderbroken, ik word erop aangesproken. Wat antwoord ik? Spreek ik zoals in het al vermelde liedje van Herman Van Veen: “we kunnen nu niet blijven/we kunnen nu niet langer blijven staan/een andere keer misschien”… Laat ik mij onderbreken door de ander? Of doe ik alsof ik de ander niet heb gezien, ook al heb ik hem of haar wel degelijk gezien, en ga ik ongestoord verder met mijn leven?

Bernard de Cock o.p.

Deuteronomium 30, 10-14 en Lucas 10, 25-37

Mots-clés: Preek Knokke

Publications récentes

  • image

    L'Evangile inouï

    L'Evangile est bien souvent considéré aujourd'hui comme un récit mythologique écrit dans un lointain passé et qui ne s'adresse donc plus à nos contemporains. Victime de sa longue temporalité, la Bonne Nouvelle du Christ n'est plus En savoir plus
  • image

    La sollicitude

    Jésus a une manière bien à lui d’être présent aux gens, aux situations et au contexte religieux et social de son temps. Le mot qui, pour l’auteur, définit le mieux sa conduite est la sollicitude.… En savoir plus
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4

Dominique Collin : L'Évangile inouï

Patrick Lens : De leeuw en het lam




  • Espérer l'impossible

    À partir de ses recherches sur Kierkegaard (1813-1855), Dominique Collin montre dans cette conférence donnée le 17 avril 2018 à la Collégiale Saint Jean, que la théologie a des ressources propres et inouïes pour penser l’existence En savoir plus
  • Amoris Laetitia

    Le synode sur la famille et surtout les conclusions qu’en a tirées le pape François dans Amoris laetitia suscitent débats et controverses au sein de l’Église. Certains, y compris quelques cardinaux et nombre d’évêques mettent en En savoir plus
  • 1
  • 2